![]() |
|
||||||||||||
| [Terug naar index] |
SIF: nu nog krachtiger !
Sociaal Impulsfonds
wordt nieuwe motor Vlaamse kansarmoedebestrijding Wie bij het woord SIF enkel denkt aan citroenfrisse superreinigers of te
mijden sexueel overdraagbare aandoeningen leest best even verder dan deze
inleiding. Want SIF staat sinds kort ook voor Sociaal Impulsfonds, het nieuwste
wapen van de Vlaamse Regering in de strijd tegen de kansarmoede. En dat heeft
meer te maken met jeugdbeleid dan je op het eerste zicht zou vermoeden. Het
bos en de bomen Niet dat de Vlaamse overheid de voorbije jaren bij de pakken is blijven
zitten. Vlaams Fonds voor de Integratie van Kansarmen, Bijzonder Fonds voor
Maatschappelijk Welzijn, Bijzondere Dotatie, … met een regelmaat van een klok
werden nieuwe initiatieven en middelen gelanceerd om het complexe probleem van
maatschappelijke achterstelling aan te pakken. Dit gebeurde evenwel zo
versnipperd dat zelfs de meest doorwinterde welzijnskat in dit kluwen van
fondsen en dotaties haar jongen niet meer terugvond. De Vlaamse regering heeft
nu al deze verschillende programma’s en bijbehorende potjes in de hoge hoed
gestoken en er het SIF terug uitgetoverd. De verdienste van het SIF is dan ook
al op zijn minst dat het eindelijk wat klaarheid brengt in het Vlaamse
kansarmoedebeleid. Sinterklaas
kapoentje In het decreet krijgt het Sociaal Impulsfonds de opdracht mee om “het
gemeentelijk beleid inzake het herstel van de leef- en omgevingskwaliteit van de
achtergestelde buurten en de steden en het gemeentelijk beleid inzake de
bestrijding van de kansarmoede te ondersteunen”. Om dit nobel streven waar te maken krijgen alle gemeenten
“trekkingsrechten”. Hoeveel centen een gemeente kan “trekken” van de
Vlaamse Gemeenschap hangt af van de score die ze behaalt op een lijst met
criteria van maatschappelijke achterstelling (zie kaderstukje). Elke gemeente
krijgt wel de garantie dat ze de eerstvolgende jaren minstens evenveel zullen
ontvangen als het bedrag via de diverse fondsen werd verkregen in 1996.
Volledigheidshalve moet hier nog bij vermeld worden dat er voor Brussel een
aparte regeling is uitgewerkt: de Vlaamse Gemeenschapscommissie in onze
hoofdstad heeft jaarlijks recht op 80 miljoen. De Vlaamse Gemeenschap meent het serieus met de bestrijding van de
kansarmoede. In 1996 heeft ze een kleine 4,5 miljard frank veil voor het SIF. In
de jaren ’97, ’98 en ’99 doet ze daar telkens nog een miljardje bij. En
daar houdt het niet mee op: ook de opbrengst van de “heffing op leegstand en
verkrotting”, zeg maar de krotbelasting verdwijnt in het SIF. Je
moet er wel wat voor doen ! Al dit lekkers krijgen de gemeentebesturen niet zomaar. De Vlaamse
Gemeenschap heeft zijn lessen getrokken uit vroegere ervaringen met
kansarmoedefondsen. Om de trekkingsrechten ook echt uitgekeerd te krijgen moet
een gemeentebestuur … een beleidsplan opstellen ! Dit beleidsplan moet de krachtlijnen en prioriteiten aangeven van het
toekomstige gemeentelijke kansarmoedebeleid. Planners van dienst zijn
vertegenwoordigers van het gemeentebestuur, het OCMW en andere lokale
“actoren” (dit zijn geen toneelspelers maar organisaties, diensten,
instellingen, enz. die op één of andere manier te maken hebben met het sociale
leven in de gemeente) die samen in een lokale stuurgroep het plan moeten
uitbroeden. De overheid vraagt dat zij uitgaan van een lange termijnvisie: het
eerste plan loopt van 1997 tot het jaar 2000, daaropvolgende plannen zullen
telkens een periode van 3 jaar omspannen. Uiteraard wordt van hen verwacht dat
zij hun oor te luisteren leggen bij de mensen waarvoor het allemaal bedoeld is. Wanneer de stuurgroep klaar is met het labeur, moet het plan eerst door de
OCMW-raad en daarna door de gemeenteraad worden goedgekeurd, alvorens het
richting Brussel te sturen. Als het daar op goedkeurend gebrom kan rekenen, dan
wordt het hele geval in een beleidsovereenkomst gegoten tussen de Vlaamse
Gemeenschap, het gemeentebestuur en het OCMW en kan men aan de slag. Beleidsplan
revisited Zo’n gemeentelijk SIF-beleidsplan moet volgende hoofdstukken bevatten: ·
een beschrijving van de leef-
en omgevingskwaliteit in de gemeente, en meer in het bijzonder van de gegevens
die relevant zijn voor het kansarmoedebeleid; ·
de concrete doelstellingen en
resultaten die de gemeente en het OCMW willen bereiken en de prioriteiten die
men daarin stelt; ·
de toewijzing van de
verschillende opdrachten aan de gemeente, het OCMW en andere plaatselijke
instanties, organisaties, diensten, … ·
een overzicht van de
beschikbare middelen om het plan uit te voeren; ·
een beschrijving van de acties
en middelen in de achtergestelde buurten; · een concreet financieel programma. Uiteraard is het de bedoeling dat er in het beleidsplan in eerste instantie
concrete maatregelen worden opgenomen ter verbetering van de situatie in de
sectoren waarvoor de gemeente slechte cijfers haalt. Zeer logisch, maar lang
niet zo evident als het lijkt, is dat het beleidplan afgestemd moet worden op
andere projecten van sociale vernieuwing die al in de gemeente lopen, zoals de
veiligheids- en preventiecontracten van de federale (Belgische) overheid,
programma’s van de Europese Unie, … en op andere beleidsplannen die door het
gemeentebestuur werden goedgekeurd. Waar
hebben we dat nog gehoord ? Wie de afgelopen 3 jaar in Vlaanderen ook maar in de verste verte iets met
jeugdwerk te maken heeft gehad, heeft het belletje natuurlijk al lang horen
rinkelen. Dit lijkt wel een kopie van het decreet op het plaatselijk
jeugdwerkbeleid ! Inderdaad, zoals ooit ook in uw aller V!RUS geschreven, heeft
het jeugdbeleid met de eerste jeugdwerkbeleidsplanning baanbrekend pionierswerk
verricht dat ook vanuit andere beleidsdomeinen met veel belangstelling werd
gevolgd. Het decreet op het plaatselijk jeugdwerkbeleid was immers het
allereerste waarbij de Vlaamse Gemeenschap een stapje terug zette en, in plaats
van alles zelf te bedisselen, gemeentebesturen financieel ondersteunde om in
samenspraak met de plaatselijke bevolking een beleid te ontwikkelen dat vertrekt
van de reële plaatselijke behoeften. So
what ? Jeugdbeleid en kansarmoede hebben jammer genoeg erg veel met elkaar te
maken. Sla er de kansarmoedecriteria in het kadertje hiernaast maar even op na:
de helft verwijst rechtstreeks naar kinderen en jongeren in problematische
situaties. Het aantal jonge bestaansminimumtrekkers neemt onrustwekkend toe. De
hoogste concentraties aan kinderen en jongeren vindt men in de verarmde
migrantenwijken van Brussel en Antwerpen. Kinderen en jongeren ontsnappen dus
zeker niet aan kansarmoede. Van een degelijk jeugdbeleid kan geen sprake zijn
als hier aan voorbijgegaan wordt. Initiatieven voor deze jongeren zal je dus
terugvinden in een jeugdwerkbeleidsplan met visie, maar ook in het
SIF-beleidsplan. Met voldoende visie en wat goede wil kan het SIF heel wat
nieuwe impulsen geven op dit terrein. Het lijkt dan ook niet meer dan logisch dat vertegenwoordigers uit het
jeugdwerk, de jeugdraad en de jeugddienst betrokken worden in de SIF-planning.
Zij zouden op zijn minst uitgebreid bevraagd moeten worden in de voorbereidende
fase van de planning. En waarom zou er niemand uit het jeugdwerk in de SIF-stuurgroep zelf kunnen
opgenomen worden ? Na twee jeugdwerkbeleidsplannen bezitten heel wat mensen uit
het jeugdwerk een onmiskenbare know-how in het opstellen van beleidsplannen:
inventariseren van gegevens, het verzamelen van meningen en suggesties, het
bepalen van doelstellingen, het afwegen van prioriteiten, het communiceren met
de achterban, enz. Een rijke ervaring die zeker van pas kan komen bij het
opstellen van het eerste SIF-beleidsplan. En
de praktijk ? Mooi in theorie, maar hoe zit het met de praktijk ? Is er binnen het
SIF-beleidsplan ruimte (en geld) voor jeugdbeleid ? In Maasmechelen, waar men al
wat langer ervaring heeft met bestrijding van de kansarmoede, alvast wel.
Achttien miljoen frank is uitgetrokken voor 2 grote projecten: enerzijds het
uitbouwen van een kringloopcentrum met jonge langdurig werklozen, anderzijds het
bouwen van lokalen voor speelpleinwerking Saenhoeve (zie V!RUS 4.3). Andere
projecten lopen verder en krijgen via het SIF wat meer ademruimte: een
spel-o-theek, een project rond schoolopbouwwerk, een straathoekwerker die zich
specifiek richt op de heroïneverslaafden, … Je merkt, een kansarmoedebeleid
krijgt pas zin als het jeugdbeleid erin geïntegreerd is ! Marc Ipermans. De slagroom op de taart: SIF +
De
10 criteria die men gebruikt om de trekkingsrechten van elke gemeente te bepalen
zijn de volgende: 1.
Het aantal vreemdelingen
afkomstig uit landen waarvan het BNP per inwoner minder bedraagt dan 150.000,-
fr. per jaar en die een permanente woonplaats hebben in het Vlaamse Gewest,
verhoogd met de personen van Italiaanse, Spaanse, Portugese en Griekse
nationaliteit. In verstaanbaar Nederlands: het aantal vreemdelingen in de
gemeente afkomstig uit de Derde Wereld en Oost-Europa. 2.
Het aantal inwoners dat recht heeft op een
bestaansminimum, uit te keren door het OCMW. 3.
Het aantal kinderen van 0 tot en met 19 jaar die bij
een alleenstaande ouder wonen. 4.
Het aantal weduwen, wezen, invaliden en
gepensioneerden die minder inkomsten hebben dan het laagste werknemerspensioen 5.
Het aantal jongeren naar gemeente van herkomst, die
via de Bijzondere Jeugdbijstand ambulante, semi-ambulante of residentiële zorg
ontvangen 6.
Het aantal volledig uitkeringsgerechtigde werklozen,
jonger dan 25 jaar. 7.
Het aantal volledig uitkeringsgerechtigde werklozen
die langer dan 1 jaar werkloos zijn 8.
Het aantal geboorten in kansarme gezinnen (volgens
de criteria van Kind en Gezin) 9.
Het
aantal woningen zonder comfort 10.
Het
aantal sociale huurappartementen Dertig op een rij Voor
gemeenten die op verschillende van deze criteria bijzonder hoog “scoren”
zijn er in het Sociaal Impulsfonds boven op het vaste trekkingsrecht nog extra
middelen voorzien. Deze gemeenten noemt men gemakshalve de SIF+-gemeenten.
Volgende 30 gemeenten hebben de weinig benijdenswaardige eer om tot het selecte
clubje te behoren: Aalst, Antwerpen, Blankenberge, Bredene, Brugge, De Panne,
Dendermonde, Diest, Eeklo, Geraardsbergen, Genk, Gent, Ham, Kortrijk, Leuven,
Lier, Maasmechelen, Mechelen, Menen, Nieuwpoort, Oostende, Ronse,
Spiere-Helkijn, Tienen, Tongeren, Turnhout, Vilvoorde, Wetteren, Willebroek en
Zelzate. Naast
een meerderheid aan klassieke gemeenten (elke iets of wat grotere stad) zullen
pientere lezers wellicht de grote vertegenwoordiging van kustgemeenten in dit
lijstje opgemerkt hebben. Inderdaad, op Knokke, De Haan, Middelkerke en Koksijde
na zijn de 6 andere kustgemeenten allemaal present. Sorry, een verklaring
hiervoor hebben we niet. Ook merkwaardig: van de 5 Limburgse ex-mijngemeenten,
die traditioneel tot de meest kansarme worden gerekend, komen enkel Maasmechelen
en Genk op het lijstje voor. En wie bij de leraar aardrijkskunde goede punten
wil scoren kan een poging wagen om Spiere-Helkijn op de kaart van Vlaanderen
terug te vinden: een piepkleine taalgrensgemeente met nog geen 2.000 inwoners,
gelegen in tussen Kortrijk en Doornik aan de Schelde ! Deze
SIF+-gemeenten moeten voor hun extra centen ook extra huiswerk maken. Naast het
gewone SIF-beleidsplan voor 1997-2000 moeten zij reeds een plan opmaken voor
1996 (!), dienen ze de resultaten die ze willen bereiken met de voorgenomen
beleidsmaatregelen verder te detailleren en moet er per achtergestelde buurt een
apart wijk-ontwikkelingsplan worden opstellen. |
| Virus © 2003 - Design by DV | ||