V!russcanner
 
  Steunpunt Jeugd - V!rus
Arenbergstraat 1D, B-1000 Brussel
Tel. 02/551.13.50, Fax. 02/551.13.85
E-mail: virus@steunpuntjeugd.be
 
 
    [Terug naar index]  
 

SIF: nu nog krachtiger !

Sociaal Impulsfonds wordt nieuwe motor Vlaamse kansarmoedebestrijding

Wie bij het woord SIF enkel denkt aan citroenfrisse superreinigers of te mijden sexueel overdraagbare aandoeningen leest best even verder dan deze inleiding. Want SIF staat sinds kort ook voor Sociaal Impulsfonds, het nieuwste wapen van de Vlaamse Regering in de strijd tegen de kansarmoede. En dat heeft meer te maken met jeugdbeleid dan je op het eerste zicht zou vermoeden.

Het bos en de bomen

Niet dat de Vlaamse overheid de voorbije jaren bij de pakken is blijven zitten. Vlaams Fonds voor de Integratie van Kansarmen, Bijzonder Fonds voor Maatschappelijk Welzijn, Bijzondere Dotatie, … met een regelmaat van een klok werden nieuwe initiatieven en middelen gelanceerd om het complexe probleem van maatschappelijke achterstelling aan te pakken. Dit gebeurde evenwel zo versnipperd dat zelfs de meest doorwinterde welzijnskat in dit kluwen van fondsen en dotaties haar jongen niet meer terugvond. De Vlaamse regering heeft nu al deze verschillende programma’s en bijbehorende potjes in de hoge hoed gestoken en er het SIF terug uitgetoverd. De verdienste van het SIF is dan ook al op zijn minst dat het eindelijk wat klaarheid brengt in het Vlaamse kansarmoedebeleid.

Sinterklaas kapoentje

In het decreet krijgt het Sociaal Impulsfonds de opdracht mee om “het gemeentelijk beleid inzake het herstel van de leef- en omgevingskwaliteit van de achtergestelde buurten en de steden en het gemeentelijk beleid inzake de bestrijding van de kansarmoede te ondersteunen”.

Om dit nobel streven waar te maken krijgen alle gemeenten “trekkingsrechten”. Hoeveel centen een gemeente kan “trekken” van de Vlaamse Gemeenschap hangt af van de score die ze behaalt op een lijst met criteria van maatschappelijke achterstelling (zie kaderstukje). Elke gemeente krijgt wel de garantie dat ze de eerstvolgende jaren minstens evenveel zullen ontvangen als het bedrag via de diverse fondsen werd verkregen in 1996. Volledigheidshalve moet hier nog bij vermeld worden dat er voor Brussel een aparte regeling is uitgewerkt: de Vlaamse Gemeenschapscommissie in onze hoofdstad heeft jaarlijks recht op 80 miljoen.

De Vlaamse Gemeenschap meent het serieus met de bestrijding van de kansarmoede. In 1996 heeft ze een kleine 4,5 miljard frank veil voor het SIF. In de jaren ’97, ’98 en ’99 doet ze daar telkens nog een miljardje bij. En daar houdt het niet mee op: ook de opbrengst van de “heffing op leegstand en verkrotting”, zeg maar de krotbelasting verdwijnt in het SIF.

Je moet er wel wat voor doen !

Al dit lekkers krijgen de gemeentebesturen niet zomaar. De Vlaamse Gemeenschap heeft zijn lessen getrokken uit vroegere ervaringen met kansarmoedefondsen. Om de trekkingsrechten ook echt uitgekeerd te krijgen moet een gemeentebestuur … een beleidsplan opstellen !

Dit beleidsplan moet de krachtlijnen en prioriteiten aangeven van het toekomstige gemeentelijke kansarmoedebeleid. Planners van dienst zijn vertegenwoordigers van het gemeentebestuur, het OCMW en andere lokale “actoren” (dit zijn geen toneelspelers maar organisaties, diensten, instellingen, enz. die op één of andere manier te maken hebben met het sociale leven in de gemeente) die samen in een lokale stuurgroep het plan moeten uitbroeden. De overheid vraagt dat zij uitgaan van een lange termijnvisie: het eerste plan loopt van 1997 tot het jaar 2000, daaropvolgende plannen zullen telkens een periode van 3 jaar omspannen. Uiteraard wordt van hen verwacht dat zij hun oor te luisteren leggen bij de mensen waarvoor het allemaal bedoeld is.

Wanneer de stuurgroep klaar is met het labeur, moet het plan eerst door de OCMW-raad en daarna door de gemeenteraad worden goedgekeurd, alvorens het richting Brussel te sturen. Als het daar op goedkeurend gebrom kan rekenen, dan wordt het hele geval in een beleidsovereenkomst gegoten tussen de Vlaamse Gemeenschap, het gemeentebestuur en het OCMW en kan men aan de slag.

Beleidsplan revisited

Zo’n gemeentelijk SIF-beleidsplan moet volgende hoofdstukken bevatten:

·         een beschrijving van de leef- en omgevingskwaliteit in de gemeente, en meer in het bijzonder van de gegevens die relevant zijn voor het kansarmoedebeleid;

·         de concrete doelstellingen en resultaten die de gemeente en het OCMW willen bereiken en de prioriteiten die men daarin stelt;

·         de toewijzing van de verschillende opdrachten aan de gemeente, het OCMW en andere plaatselijke instanties, organisaties, diensten, …

·         een overzicht van de beschikbare middelen om het plan uit te voeren;

·         een beschrijving van de acties en middelen in de achtergestelde buurten;

·         een concreet financieel programma.

Uiteraard is het de bedoeling dat er in het beleidsplan in eerste instantie concrete maatregelen worden opgenomen ter verbetering van de situatie in de sectoren waarvoor de gemeente slechte cijfers haalt. Zeer logisch, maar lang niet zo evident als het lijkt, is dat het beleidplan afgestemd moet worden op andere projecten van sociale vernieuwing die al in de gemeente lopen, zoals de veiligheids- en preventiecontracten van de federale (Belgische) overheid, programma’s van de Europese Unie, … en op andere beleidsplannen die door het gemeentebestuur werden goedgekeurd.

Waar hebben we dat nog gehoord ?

Wie de afgelopen 3 jaar in Vlaanderen ook maar in de verste verte iets met jeugdwerk te maken heeft gehad, heeft het belletje natuurlijk al lang horen rinkelen. Dit lijkt wel een kopie van het decreet op het plaatselijk jeugdwerkbeleid ! Inderdaad, zoals ooit ook in uw aller V!RUS geschreven, heeft het jeugdbeleid met de eerste jeugdwerkbeleidsplanning baanbrekend pionierswerk verricht dat ook vanuit andere beleidsdomeinen met veel belangstelling werd gevolgd. Het decreet op het plaatselijk jeugdwerkbeleid was immers het allereerste waarbij de Vlaamse Gemeenschap een stapje terug zette en, in plaats van alles zelf te bedisselen, gemeentebesturen financieel ondersteunde om in samenspraak met de plaatselijke bevolking een beleid te ontwikkelen dat vertrekt van de reële plaatselijke behoeften.

So what ?

Jeugdbeleid en kansarmoede hebben jammer genoeg erg veel met elkaar te maken. Sla er de kansarmoedecriteria in het kadertje hiernaast maar even op na: de helft verwijst rechtstreeks naar kinderen en jongeren in problematische situaties. Het aantal jonge bestaansminimumtrekkers neemt onrustwekkend toe. De hoogste concentraties aan kinderen en jongeren vindt men in de verarmde migrantenwijken van Brussel en Antwerpen. Kinderen en jongeren ontsnappen dus zeker niet aan kansarmoede. Van een degelijk jeugdbeleid kan geen sprake zijn als hier aan voorbijgegaan wordt. Initiatieven voor deze jongeren zal je dus terugvinden in een jeugdwerkbeleidsplan met visie, maar ook in het SIF-beleidsplan. Met voldoende visie en wat goede wil kan het SIF heel wat nieuwe impulsen geven op dit terrein.

Het lijkt dan ook niet meer dan logisch dat vertegenwoordigers uit het jeugdwerk, de jeugdraad en de jeugddienst betrokken worden in de SIF-planning. Zij zouden op zijn minst uitgebreid bevraagd moeten worden in de voorbereidende fase van de planning.

En waarom zou er niemand uit het jeugdwerk in de SIF-stuurgroep zelf kunnen opgenomen worden ? Na twee jeugdwerkbeleidsplannen bezitten heel wat mensen uit het jeugdwerk een onmiskenbare know-how in het opstellen van beleidsplannen: inventariseren van gegevens, het verzamelen van meningen en suggesties, het bepalen van doelstellingen, het afwegen van prioriteiten, het communiceren met de achterban, enz. Een rijke ervaring die zeker van pas kan komen bij het opstellen van het eerste SIF-beleidsplan.

En de praktijk ?

Mooi in theorie, maar hoe zit het met de praktijk ? Is er binnen het SIF-beleidsplan ruimte (en geld) voor jeugdbeleid ? In Maasmechelen, waar men al wat langer ervaring heeft met bestrijding van de kansarmoede, alvast wel. Achttien miljoen frank is uitgetrokken voor 2 grote projecten: enerzijds het uitbouwen van een kringloopcentrum met jonge langdurig werklozen, anderzijds het bouwen van lokalen voor speelpleinwerking Saenhoeve (zie V!RUS 4.3). Andere projecten lopen verder en krijgen via het SIF wat meer ademruimte: een spel-o-theek, een project rond schoolopbouwwerk, een straathoekwerker die zich specifiek richt op de heroïneverslaafden, … Je merkt, een kansarmoedebeleid krijgt pas zin als het jeugdbeleid erin geïntegreerd is !

Marc Ipermans.

De slagroom op de taart: SIF +

De 10 criteria die men gebruikt om de trekkingsrechten van elke gemeente te bepalen zijn de volgende:

1.       Het aantal vreemdelingen afkomstig uit landen waarvan het BNP per inwoner minder bedraagt dan 150.000,- fr. per jaar en die een permanente woonplaats hebben in het Vlaamse Gewest, verhoogd met de personen van Italiaanse, Spaanse, Portugese en Griekse nationaliteit. In verstaanbaar Nederlands: het aantal vreemdelingen in de gemeente afkomstig uit de Derde Wereld en Oost-Europa.

2.       Het aantal inwoners dat recht heeft op een bestaansminimum, uit te keren door het OCMW.

3.       Het aantal kinderen van 0 tot en met 19 jaar die bij een alleenstaande ouder wonen.

4.       Het aantal weduwen, wezen, invaliden en gepensioneerden die minder inkomsten hebben dan het laagste werknemerspensioen

5.       Het aantal jongeren naar gemeente van herkomst, die via de Bijzondere Jeugdbijstand ambulante, semi-ambulante of residentiële zorg ontvangen

6.       Het aantal volledig uitkeringsgerechtigde werklozen, jonger dan 25 jaar.

7.       Het aantal volledig uitkeringsgerechtigde werklozen die langer dan 1 jaar werkloos zijn

8.       Het aantal geboorten in kansarme gezinnen (volgens de criteria van Kind en Gezin)

9.       Het aantal woningen zonder comfort

10.   Het aantal sociale huurappartementen

Dertig op een rij

Voor gemeenten die op verschillende van deze criteria bijzonder hoog “scoren” zijn er in het Sociaal Impulsfonds boven op het vaste trekkingsrecht nog extra middelen voorzien. Deze gemeenten noemt men gemakshalve de SIF+-gemeenten. Volgende 30 gemeenten hebben de weinig benijdenswaardige eer om tot het selecte clubje te behoren: Aalst, Antwerpen, Blankenberge, Bredene, Brugge, De Panne, Dendermonde, Diest, Eeklo, Geraardsbergen, Genk, Gent, Ham, Kortrijk, Leuven, Lier, Maasmechelen, Mechelen, Menen, Nieuwpoort, Oostende, Ronse, Spiere-Helkijn, Tienen, Tongeren, Turnhout, Vilvoorde, Wetteren, Willebroek en Zelzate.

Naast een meerderheid aan klassieke gemeenten (elke iets of wat grotere stad) zullen pientere lezers wellicht de grote vertegenwoordiging van kustgemeenten in dit lijstje opgemerkt hebben. Inderdaad, op Knokke, De Haan, Middelkerke en Koksijde na zijn de 6 andere kustgemeenten allemaal present. Sorry, een verklaring hiervoor hebben we niet. Ook merkwaardig: van de 5 Limburgse ex-mijngemeenten, die traditioneel tot de meest kansarme worden gerekend, komen enkel Maasmechelen en Genk op het lijstje voor. En wie bij de leraar aardrijkskunde goede punten wil scoren kan een poging wagen om Spiere-Helkijn op de kaart van Vlaanderen terug te vinden: een piepkleine taalgrensgemeente met nog geen 2.000 inwoners, gelegen in tussen Kortrijk en Doornik aan de Schelde !

Deze SIF+-gemeenten moeten voor hun extra centen ook extra huiswerk maken. Naast het gewone SIF-beleidsplan voor 1997-2000 moeten zij reeds een plan opmaken voor 1996 (!), dienen ze de resultaten die ze willen bereiken met de voorgenomen beleidsmaatregelen verder te detailleren en moet er per achtergestelde buurt een apart wijk-ontwikkelingsplan worden opstellen.

 
 
  Virus © 2003 - Design by DV