V!russcanner
 
  Steunpunt Jeugd - V!rus
Arenbergstraat 1D, B-1000 Brussel
Tel. 02/551.13.50, Fax. 02/551.13.85
E-mail: virus@steunpuntjeugd.be
 
 
    [Terug naar index]  
 

Fluiten, blazen en springen

Jeugd(muziek)ateliers en jeugdgroepen voor amateurkunsten brengen jeugd en cultuur samen

 

Van graffitispuiters tot jonge blazers in de fanfare, veel kinderen en jongeren zorgen voor heel wat leven in de culturele brouwerij. Het decreet lokaal cultuurbeleid brengt ook jongerencultuur onder de aandacht en dan stelt zich de vraag waar jeugdwerk eindigt en het cultuurbeleid begint. Er zijn drie specifieke werkvormen die ook tot de familie van het jeugdwerk worden gerekend: in Vlaanderen zijn er meer dan 500 jeugdateliers, jeugdmuziekateliers en jeugdgroepen voor amateurkunsten actief. Deze jeugdwerkvormen maken samen ongeveer 10% uit van alle jeugdorganisaties en zorgen voor een gevarieerder en kleurrijker vrijetijdsaanbod in de gemeente. Vaak zijn ze een buitenbeentje in de plaatselijk jeugdraad of hebben ze door hun specifieke werking minder contact met andere jeugdorganisaties. Hoog tijd dus voor een kennismaking met de jeugdwerkvormen die jeugd, creativiteit en cultuur met elkaar verzoenen.

 

Wie? Wie?

Ook al worden ze in één adem vernoemd, er is wel duidelijk een verschil tussen jeugd(muziek)ateliers en jeugdgroepen voor amateurkunsten. Jeugdateliers en jeugdmuziekateliers zijn ontstaan als een reactie op het rigide en sterk eenzijdig onderwijssysteem van enkele decennia geleden. In een jeugdatelier wordt dikwijls op woensdagnamiddag of op zaterdag met 6- tot 12-jarigen op een niet-schoolse manier geknutseld, geboetseerd, geschilderd, geknipt of geplakt. Niet het eindproduct, maar wel de creativiteit van kinderen is belangrijk. Een jeugdmuziekatelier doet dat ook, maar dan wel via muzikale vorming. Het is de bedoeling om kinderen in groep met muziek te laten spelen. Anders dan in een muziekacademie, is een jeugdmuziekatelier niet gericht op het bespelen van een instrument, maar wel op het op een plezante manier omgaan met muziek. Volgens het Cijferboek ‘02-’04 zijn er momenteel 108 jeugdateliers en 130 jeugdmuziekateliers. Zij vertegenwoordigen respectievelijk 2% en 2,41% van alle jeugdorganisaties in Vlaanderen. Er vielen in de voorbije drie jaar bijna 30 jeugdateliers weg, het aantal jeugdmuziekateliers nam licht toe.

In een jeugdgroep voor amateurkunsten komen kinderen en jongeren samen om via theater, zang, dans of muziek in liefhebbersverband te oefenen en op te treden. Hier situeren we o.a. kinderkoren, jeugdfanfares, jeugdharmonieën, jeugdtoneelgroepen en jeugddansgroepen. Vaak zijn deze jeugdgroepen gelinkt aan een volwassen versie waar de kinderen en jongeren in doorgroeien. Een jeugdgroep voor amateurkunsten is daardoor vaak afhankelijk van de volwassengroep en dit roept soms vragen op over het jeugdwerkgehalte van zo’n organisatie. Er zijn momenteel 307 jeugdgroepen voor amateurkunsten die bijna 6% van alle jeugdorganisaties vertegenwoordigen. Deze jeugdwerkvorm neemt in aantal geleidelijk toe.

Jeugdwerk, of niet?

De vertrouwdheid van de jeugddienst of jeugdraad met deze jeugdwerkvormen in de gemeente is niet altijd even groot. Daarom wordt vaak de vraag gesteld of jeugd(muziek)ateliers en jeugdgroepen voor amateurkunsten wel ‘jeugdwerk’ zijn. En zo ja, waarom?

Eerst dit. Een gemeentebestuur mag en kan alle organisaties in de gemeente ondersteunen en subsidiëren, zolang ze maar soortgelijke initiatieven op een soortgelijke manier behandelt. Dit is zo bepaald door het cultuurpact. Met andere woorden: een organisatie hoeft geen jeugdwerk te zijn om gesubsidieerd te worden door het gemeentebestuur. Wel geldt dat alleen de middelen voor het ‘jeugdwerk’ kunnen worden ingebracht als verantwoording voor de subsidie die het gemeentebestuur krijgt van de Vlaamse Gemeenschap. En wat dan ‘jeugdwerk’ is, wordt gedefinieerd in het decreet plaatselijk jeugdwerkbeleid.

Jeugdwerk wordt er omschreven als ‘groepsgerichte, sociaal-culturele initiatieven met de jeugd in de vrije tijd, onder educatieve begeleiding en georganiseerd door hetzij particuliere, hetzij door plaatselijke openbare besturen’. Een jeugdwerkinitiatief zal bovendien één of meer van de negen functies vervullen die opgesomd worden in het decreet.

Deze definitie is geen strak keurslijf, maar onderscheidt jeugdwerk en andere jeugdinitiatieven van elkaar. In de gemeente kan de werking van zo’n jeugd(muziek)atelier of jeugdgroep voor amateurkunsten getoetst worden aan de inhoud van deze definitie. Er zijn twee specifieke elementen belangrijk in de vraag naar het jeugdwerkgehalte van jeugd(muziek)ateliers en jeugdgroepen voor amateurkunsten.

  • Groepsgericht: Een jeugdwerkinitiatief is gericht op groepsvorming: samen zingen, spelen, blazen en springen. In een jeugdmuziekatelier wordt dikwijls ook individueel gemusiceerd. Dit hoeft niet echt een probleem te zijn wanneer de nadruk op groepsgericht werken ligt.

  • Door jeugd: Een jeugdwerkinitiatief onderscheidt zich van alle andere jeugdinitiatieven door de uitdrukkelijke verwijzing naar de autonomie van de organisatie: jongeren bepalen het beleid. Dit is een belangrijk argument om vb. de plaatselijke afdeling van het Gezinsfonds of de jeugdsportclub niet als jeugdwerk te benoemen. In het jeugd(muziek)atelier of de jeugdgroep voor amateurkunsten is de rol van volwassenen dikwijls groter dan in een jeugdhuis of een jeugdbeweging. Ook dit hoeft geen probleem te zijn, zolang een meerderheid van jongeren maar beslissingen kan nemen.

Het is belangrijk om in zo’n plaatselijke discussie te peilen naar de intenties van de jeugdorganisatie, de werking te bekijken en afspraken te maken om op termijn de pijnpunten weg te werken. Zo kan met een jeugdgroep voor amateurkunsten worden afgesproken om vb. binnen een termijn van drie jaar de jeugdgroep beleidsmatig los te maken van de volwassengroep of met een jeugdmuziekatelier kan contractueel worden vastgelegd om het aandeel individuele vorming af te bouwen voor meer groepsgerichte muzikale vorming.

Steunen en leunen

Jeugd(muziek)ateliers en jeugdgroepen voor amateurkunsten zijn een typische jeugdwerkvorm waar een sociale en artistieke functie wordt gecombineerd. Zeker in jeugdgroepen voor amateurkunsten mondt het proces uit in een eindproduct: er zijn repetities die resulteren in een optreden of een toonmoment. Het engagement van kinderen en/of jongeren in deze jeugdwerkvorm is daardoor minder vrijblijvend: een groep jongeren werkt samen aan een eindproduct en niemand kan zomaar afzeggen. Op die manier weegt de waarde van één lid ook sterk door. Deze jeugdwerkvormen kunnen op verschillende manieren zinvol ondersteund worden. Een overzicht van mogelijke vormen van ondersteuning.

Een financieel deel

Heel wat gemeentebesturen hebben naar aanleiding van het decreet plaatselijk jeugdwerkbeleid, de vroegere reglementen van de Vlaamse Gemeenschap die jeugd(muziek)ateliers en jeugdgroepen voor amateurkunsten ondersteunden, overgenomen. Toch is dit niet de goede methode: deze vroegere centrale reglementen illustreren vooral de gedetailleerde regelneverij van de jaren tachtig en zijn nauwelijks gericht op de output van zo’n jeugdorganisatie. Bovendien is een gesprek met de betrokken jeugdorganisaties over de opmaak van een reglement een eerste vereiste. Er zal dan een antwoord moeten gegeven worden op de belangrijke vraag: is er een apart reglement voor deze drie verschillende jeugdwerkvormen nodig of niet?

In een werkingsreglement voor deze drie jeugdwerkvormen zijn algemene voorwaarden geldig: voldoet het initiatief aan de definitie van jeugdwerk, richt men zich naar kinderen en/of jongeren, is er een jong bestuur en is de zetel en het secretariaat gevestigd in de gemeente? Daarnaast kunnen minimumvoorwaarden worden gesteld in verband met het moment van de werking, het aantal activiteiten, de leden of de begeleiding. De grootte van de subsidie kan bepaald worden op basis van o.a. het aantal en de soort activiteiten, het aantal en het vormingsniveau van de begeleiding of het aantal leden. Het aantal bestuursvergaderingen of de kosten voor de aankoop van materiaal zijn geen goede criteria om de jeugdwerkoutput te meten.

Ook de projectsubsidie is een belangrijk instrument om deze jeugdwerkvormen te stimuleren tot iets extra. Zo kan een jeugdgroep een nieuw arrangement uitproberen, een professionele kunstenaar inhuren die meewerkt aan het eindproduct of een gedurfd stuk instuderen. Kortom, projectsubsidies bieden mogelijkheden om met nieuwe, creatieve zaken uit de hoek te komen.

Ondersteuning in alle vormen

Maar het gemeentebestuur kan nog op andere manieren ondersteunen. Vaak hebben theater- en muziekgroepen voor en met jongeren nood aan een gepaste repetitieruimte, voldoende opslagruimte of een podium. Ook een uitleendienst kan materiële ondersteuning bieden. Een gepaste en goedkope geluids- of lichtinstallatie biedt een belangrijke meerwaarde.

Niet alleen infrastructuur en materiaal zijn belangrijk, maar ook de kansen en stimulansen om zich als jeugdorganisatie te tonen. Zo kan een gemeentebestuur via prijzen of wedstrijden een cultuurvriendelijk klimaat creëren. In welke gemeente kunnen deze groepen tijdens een jeugddag optreden? Of waar kan een jeugdkoor op een Roefeldag een workshop rond muziek verzorgen? Ondersteuning heeft ook te maken met een goede kennis van de werking van deze jeugdorganisaties. Een goed functionerende jeugddienst of jeugdraad die verwijst naar koepelorganisaties, provinciale uitleendiensten of die samenwerkingen tussen verschillende jeugdorganisaties stimuleert, is hierbij van onschatbare waarde.

Koepelkunsten

In de culturele sector bestaan verschillende landelijke organisaties die plaatselijke groepen voor amateurkunsten ondersteunen. Zo zijn er ondersteunende organisaties rond dans, beeldende kunsten, koor, theater, beeld of volksmuziek. Poppunt ondersteunt plaatselijke muziekgroepjes en vormt daarom een belangrijk aanspreekpunt voor onze sector. Het Vlaams Centrum voor Amateurkunsten (VCA) volgt de jeugdgroepen amateurkunsten op. Je kunt hen vinden via www.amateurkunsten.be

Ann Piessens

 
 
  Virus © 2003 - Design by DV